Op 17 oktober was ik aanwezig op een studiedag van het Herman De Croo Centrum onder de titel ‘Een jaar later, tijd om te evalueren’. Na een uiteenzetting van de gewezen minister van Binnenlands Bestuur, ‘auteur’ van de wijzingen die op 13 oktober 2024 van kracht waren en burgemeester van Mechelen Bart Somers onder de titel ‘Make lokale besturen great again’ werd er dieper ingegaan op ‘Wie kwam er stemmen op 13 oktober 2024?’ (Tony Valcke), ‘Wie is nog te overtuigen om te gaan stemmen?’ (Tom Verhelst) en ‘Wat met de andere hervormingen ter versterking van de lokale democratie’? (Kristof Steyvers).
Uiteraard werd er nogmaals ingegaan op de ‘slechts’ 63% van de Vlaamse kiezers die zijn of haar stem uitbracht op 13 oktober bij de lokale verkiezingen. Ik wil het nu al op een blaadje geven: als we niet oppassen, hebben we in 2030 een nog lagere opkomst. We weten immers dat in sommige wijken van grote steden in Nederland soms nog slechts 20% van de kiezers het de moeite vindt om te gaan stemmen. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Nederland kwam net niet de helft van de kiezers stemmen.
Veel zal er de komende tijd aan de nieuwe regelingen niet veranderen. Wellicht zal het initiatiefrecht om een meerderheid te vormen niet meer om de veertien dagen veranderen. Een dergelijke carrousel hoeft inderdaad niet meer.
We zijn, geloof het of niet, inderdaad al één jaar na de gemeenteraadsverkiezingen. Time flies when you’re having fun. Het verkiezingsstof is ondertussen grotendeels neergedaald. De bestuursmeerderheden zijn volop aan het werk, de wittebroodsweken liggen al een tijd achter de rug, de coalities hebben hopelijk hun ritme gevonden of de spanningen voelen toenemen (in het eerste jaar van de legislatuur is een constructieve motie van wantrouwen niet mogelijk. Benieuwd wat er straks komt na één jaar …), sommige lokale mandatarissen gaven er al de brui aan, …
Lokale besturen zijn momenteel gefocust op de meerjarenplanning voor de periode 2026-2031 die tegen eind 2025 klaar moet zijn. Sommige besturen zijn net klaar met hun strategische meerjarenplanning, andere hebben nog een weg te gaan of zitten misschien nog met hun handen in het haar om het strategische beleidsdocument afgewerkt te krijgen. Dit document zal alvast de ‘lokale’ leidraad worden voor de volgende zes jaar. Het bevat immers de beleidsdoelstellingen en de financiële ‘gevolgen’ ervan. Het zal de dagdagelijkse realiteit van de inwoners van de 285 Vlaamse gemeenten straks in belangrijke mate bepalen.
Een evidente oefening is dit zeker niet. Prioriteiten verschillen, de verwachtingen van de bevolking zijn hoog en de kiezers willen uiteraard resultaten zien. Politieke afspraken uit bestuursakkoorden moeten vertaald worden naar concrete meerjarenprojecten, wat vaak trager gaat dan beloofd. Soms blijken de plannen ambitieus, maar onderschatten ze de complexiteit van uitvoering, of de financiële realiteit.
Voor lokale besturen is de opmaak van dit beleidsinstrument een belangrijk moment om de balans op te maken. Wat werkt? Wat niet? Welke hindernissen zijn er? Welke koers moet er gekozen worden om de plannen van de verkiezingsprogramma’s en de beleidsnota’s waar te maken?
In het kader van de opmaak van het meerjarenplan moet men op ‘de kleintjes’ letten. De financiële gezondheid van de gemeenten blijft immers een uitdaging. Globaal doen de lokale besturen het trouwens op dat vlak nog vrij goed. Niettemin is waakzaamheid meer dan geboden want de kosten (energiekosten, personeelskosten, onderhoud van infrastructuur, …) lopen op en knagen aan de financiële buffers. De focus moet alvast op de autofinancieringsmarge gehouden worden. Schulden maken mag zeker maar wel met de garantie dat ze ooit kunnen terugbetaald worden …
Wie zijn plannen niet scherp genoeg doorrekent, geen noodscenario’s heeft, onvoldoende aandacht heeft voor financiële robuustheid of onvoldoende burgerbetrokkenheid, zal vroeg of laat geconfronteerd worden met teleurstellingen of projecten die op halve kracht stagneren.

De komende jaren tot 2031 zullen uiteraard niet rimpelloos verlopen. Voor sommige gemeenten zal de lokale legislatuur een rit Parijs-Roubaix bergop worden. Voor andere lokale besturen zal het eerder om een vlakke rit richting een electorale eindspurt gaan bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2030.
De kiezer heeft naar aanleiding van de lokale verkiezingen verwachtingen uitgesproken. Het is aan de lokale besturen om die niet te beschamen. Het is een evenwichtsoefening tussen realistische financiële ramingen maken, de autofinancieringsmarge bewaken, beleidsprioriteiten stellen, ambities voor de gemeente waarmaken, investeren in personeel in een tijd van een ‘War for Talent’, betrokkenheid van de inwoners, politieke durf, …
Voor lokale mandatarissen zal het belangrijk zijn om een goed evenwicht te vinden tussen quick wins en een langetermijnvisie. Laten we hopen dat de politici van de 285 gemeenten hierin slagen en dat de kiezers hen in 2030 hiervoor kunnen belonen.
