De Krant van West-Vlaanderen liet op 4 december optekenen: ‘Helft gemeenteraadsleden vindt dat ze te weinig impact hebben op beleid’ en ‘We lopen erbij voor spek en bonen’. Harde titels één jaar na de gemeenteraadsverkiezingen van 13 oktober 2024. Zijn deze resultaten verrassend? Eigenlijk niet. Niets nieuws onder de zon kan men zelfs stellen. Vroeger had ik het al eens over ritueel mopperen voor de gemeenteraadsleden uit de oppositie en ritueel legitimeren voor raadsleden uit de meerderheid. Het zijn echter pijnlijke cijfers die ons meer dan ooit tot nadenken moeten stemmen. Hoog tijd om actie te ondernemen als men wil vermijden dat heel wat raadsleden er de brui aan geven.

De gemeenteraad wordt vaak omschreven als het hoogste lokaal politiek orgaan en als de hoeksteen van de lokale democratie. Organiseren we immers geen gemeenteraadsverkiezingen?
Theoretisch beschikt de gemeenteraad over heel wat bevoegdheden. Op papier is de gemeenteraad dus een belangrijk orgaan. De gemeenteraad stelt de meerjarenplanning en de begroting vast, controleert het college van burgemeester en schepenen, fungeert als democratisch forum voor lokale beleidskeuzes, geeft mee richting aan de toekomst van de gemeente, ... Dat klopt als een bus.
Tot zover de theorie. In de meeste – ik durf net niet te schrijven in alle 285 – Vlaamse gemeenten worden cruciale beslissingen in de praktijk voorbereid en genomen binnen het college of zelfs binnen informele overlegstructuren tussen de coalitiepartijen. De gemeenteraad wordt de facto vaak herleid tot een ‘orgaan’ dat beslissingen bekrachtigt in plaats van ze zelf actief vorm te geven. Dit ondermijnt niet alleen de rol van individuele raadsleden maar finaal misschien ook het vertrouwen van de inwoners in de lokale democratie.
De machtsbalans tussen het college en de gemeenteraad is fundamenteel scheefgegroeid. Burgemeesters en schepenen beschikken over uitgebreide administratieve ondersteuning, directe toegang tot de lokale ambtenaren en goed voorbereide dossiers. Gemeenteraadsleden moeten het vaak stellen met beperkte(re) informatie en een grote werklast naast hun professionele carrière.
Heel wat uitvoerende mandatarissen zijn ondertussen voltijds of halftijds met hun mandaat bezig. Door de toegenomen techniciteit van de dossiers kan het vaak zelfs niet meer anders. Het mandaat van gemeenteraadslid is echter in de meeste gevallen een ‘bijberoep’. Het presentiegeld staat voor goed functionerende gemeenteraadsleden niet in verhouding tot de tijdsinvestering die nodig is om dossiers grondig te bestuderen en inwoners te informeren. Nochtans worden gemeenteraadsleden geacht de brug te vormen tussen inwoners en bestuur. Bovendien worden burgers steeds kritischer en mondiger, terwijl de gemeenteraad moeite heeft om aan de verwachtingen van de inwoners te voldoen. Gemeenteraadsleden bevinden zich dan ook in een ongemakkelijke positie: zij moeten beleid verdedigen waar ze zelf weinig invloed op hebben ten aanzien van burgers die zich vaak/soms niet gehoord voelen.
Oppositieraadsleden kampen nog meer met een structureel informatie- en ‘machts’nadeel. Hun voorstellen worden vaak weggestemd zonder ernstig debat, wat leidt tot frustratie en cynisme. Hierdoor verwordt de gemeenteraad maar al te vaak tot een toneel van voorspelbare stemmingen waarbij echte inhoudelijke discussie ontbreekt.
Deze asymmetrie maakt het moeilijk voor raadsleden om hun controlerende functie ernstig op te nemen. Het controleren van complexe beleidsdossiers zoals ruimtelijke ordening, mobiliteit of financiën vereist expertise en tijd die veel raadsleden niet hebben. Hierdoor ontstaat een situatie waarin het college bijna autonoom kan opereren, met minimale tegenmacht vanuit de raad. De checks and balances zijn al te vaak compleet zoek.
Wat kan dit op (korte) termijn betekenen? Het kan er in ieder geval voor zorgen dat potentiële kandidaten voor een lokaal mandaat, die over de nodige competenties beschikken, afhaken. Waarom zou men zich engageren als de impact toch (heel) beperkt is? Bovendien wordt men al te vaak dan ook nog de ‘pispaal’ van de maatschappij en afgeschilderd als een ‘zakkenvuller’.
Naast de scheefgegroeide verhouding tussen gemeenteraad en college is er een tweede obstakel voor de rol als gemeenteraadslid, namelijk de strikte partijdiscipline. Raadsleden van de meerderheid voelen zich vaak verplicht om beslissingen van het college te verdedigen, zelfs wanneer ze inhoudelijk twijfels hebben. Afwijken van de partijlijn kan leiden tot politieke isolatie of het verlies van kansen binnen de partij.
Eén iets is duidelijk: als Vlaanderen de lokale democratie ernstig neemt, is een herwaardering van de rol van gemeenteraadsleden noodzakelijk. Dat vergt structurele hervormingen zoals betere ondersteuning, toegang tot onafhankelijke expertise, een betere vergoeding, … met andere woorden een beter statuut voor de gemeenteraadsleden. Voor de leden van het college is hun statuut, gelukkig maar, al enige tijd geleden drastisch verbeterd. Nu moet het statuut van de gemeenteraadsleden grondig onder handen worden genomen.
De gemeenteraadsleden in Vlaanderen bevinden zich vandaag in een paradoxale positie. Ze dragen een grote democratische verantwoordelijkheid maar beschikken over beperkte reële macht. Een sterke lokale democratie begint nochtans bij sterke gemeenteraadsleden. Niet als volgzame stemmachines maar als kritische vertegenwoordigers van de inwoners. We moeten heel goed oppassen dat onze gemeenteraadsleden niet verworden tot Statler en Waldorf, de twee cynische, sarcastische oude mannen uit The Muppet Show die bekendstaan om hun commentaar vanuit hun loge op het balkon. Gemeenteraadsleden moeten meer zijn dan figuranten in het lokaal politiek theater.
