Op 2 maart vindt in Gent het 26ste congres lokale en provinciale politiek plaats onder de titel ‘Kiezen voor morgen: meerjarenplanning als kompas voor lokale en provinciale besturen’. Tijd voor een evaluatie.

De nieuwe lokale en provinciale besturen zijn ondertussen echt uit de startblokken geschoten. Alsof het om een koninklijke Olympische sprint gaat en niet om zes jaar ‘ploeteren’ in financieel niet evidente tijden. Een lokale begroting op orde krijgen en houden is geen sinecure. Er zijn de kostenstijgingen voor energie en personeel, de kosten voor de pensioenen voor oud-ambtenaren, … Bovendien drogen ook heel wat geldstromen op.
Eind 2025 keurden de gemeenten hun meerjarenplannen goed. Dikke bundels papier, gelardeerd met tabellen, indicatoren en beleidsdoelstellingen die zo zorgvuldig mogelijk werden geformuleerd. Ze vormen het kompas voor de komende zes jaar.
Het opmaken van die meerjarenplannen leidde tot een grondig en diepgaand politiek debat over de lokale kerntaken. Discussiëren over beleidsprioriteiten is fundamenteel maar niet altijd even evident. Wat is immers een kerntaak? Wat is essentieel? Wat is ‘nice to have’? Er werd uren en uren gediscussieerd over de herbestemming van kerken, de kostprijs van nieuwe of de opfrissing van bestaande speelpleinen, de aanleg en het onderhoud van fietspaden, het al dan niet bouwen van een nieuw zwembad, de verkoop van patrimonium en de investeringen in (nieuwe) infrastructuur, de openingsuren van de lokale (administratieve) diensten, het al dan niet (deels) verzelfstandigen of privatiseren van een aantal lokale diensten, …
Het zorgde ervoor dat die meerjarenplannen niet overal zonder slag of stoot tot stand kwamen. In Middelkerke hadden ze recent al met een constructieve motie van wantrouwen te maken. De aanleiding was een politieke crisis tussen burgemeester Jean-Marie Dedecker (LDD) en schepen Marc Descheemaecker (N-VA) over hoogbouw in Westende. Benieuwd hoeveel meerderheden er de komende tijd nog zullen sneuvelen. Laat ons, in het belang van de inwoners, alvast hopen dat we ze op één hand zullen kunnen tellen.
De politieke discussie over de meerjarenplannen vond plaats in een budgettair uitdagende context, waarin zowel Vlaanderen als de federale overheid de nodige besparingen opleggen. De lokale besturen betalen, als bestuursniveau dat het dichtst bij de burger staat, mee het gelag. Zo zagen sommige besturen zich gedwongen om hun dienstverlening af te bouwen, hun investeringen te beperken of, nog pijnlijker, te snoeien in hun personeelsbestand. Soms moesten ze noodgedwongen op zoek naar nieuwe inkomsten.
Hogere overheden kondigen besparingen aan om het begrotingstekort te counteren maar schuiven een deel van de rekening door naar beneden. Naar steden en gemeenten die het moeten doen met middelen uit het gemeentefonds, met de aanvullende personenbelasting, de opcentiemen op de onroerende voorheffing en hier en daar nog een of andere ‘lokale belasting’.
Politici van de hogere overheden pleiten vaak en terecht voor sterke lokale besturen. Vormen zij immers niet de hoeksteen van de democratie die Vlaanderen moet zijn? Is het dan bij momenten niet eigenaardig dat lokale besturen er alsmaar taken bijkrijgen maar dat de financiering achterblijft of onvoldoende is. Het is alsof men iemand vraagt te lopen maar ondertussen de veters aan elkaar bindt.
Wanneer Vlaanderen en de federale overheid besparingen opleggen, treft dat geen anoniem bestuursniveau. Het treft de plek waar mensen (in de eerste plaats) aankloppen als ze hulp nodig hebben. Het raakt de inwoner die vaststelt dat die lokale overheid straks misschien minder bereikbaar is.
Is het dan soms niet cynisch dat dezelfde hogere overheden met de vinger wijzen naar de lokale besturen wanneer de dienstverlening hapert. Ze moeten efficiënter werken. Ze moeten samenwerken. Ze moeten fuseren. Alsof schaalvergroting een toverformule zou zijn.
Fusies kunnen absoluut zinvol zijn. Sommige gemeenten zijn ongetwijfeld te klein om nog bestuurskrachtig te zijn. Sommige gemeenten zijn niet meer in staat om alle taken te vervullen in het belang van hun inwoners. Een ernstig (lokaal) politiek fusiedebat is in een aantal gemeenten absoluut aan de orde. Niettemin verwacht ik weinig heil van de ‘aanmoedingsmaatregelen’ om in de loop van de legislatuur tot bijkomende vrijwillige fusies te komen.
Samenwerking kan zeker efficiëntiewinsten opleveren. Maar wie denkt dat daarmee alle (financiële) problemen verdwijnen of opgelost geraken, dwaalt. De verwachtingen van burgers zullen immers blijven en zelfs groter worden. Ook de maatschappelijke uitdagingen zullen er niet kleiner op worden.
Intussen stapelen de taken zich op. Klimaattransitie, energiearmoede, vergrijzing, integratie, digitalisering, … Allemaal thema’s die zich ook lokaal manifesteren en waarvoor een oplossing gezocht en gevonden moet worden.
De meerjarenplannen die werden goedgekeurd, getuigen van goed doordachte maar ook van noodgedwongen keuzes.
De nieuwe besturen zijn ongetwijfeld hoopvol uit de startblokken geschoten. Laten we hopen dat de meerjarenplannen effectief een goed kompas vormen en ambitieuze plannen blijven. We willen immers vermijden dat de lokale besturen de komende tijd stuur- en doelloos ronddobberen. De inwoners verdienen immers daad- en bestuurskrachtige gemeenten en steden. Alleen op die manier kunnen ze de hoeksteen van onze democratie in Vlaanderen blijven.
