Recentelijk overleed Denise Waelbers, de oudste inwoner van ons land. Ze werd 110 jaar. ‘Ge moet durven in het leven’ was haar motto. Ze besloot bijvoorbeeld als eerste vrouw in haar omgeving om broeken te dragen.
13 april is voor velen ongetwijfeld zonder veel ‘poeha’ voorbijgegaan. Op zich was het misschien ook geen zo’n speciale dag maar het was wel degelijk de dag waarop we anderhalf jaar geleden naar de stembus trokken voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen.
Ondertussen is er op geopolitiek vlak maar ook veel dichterbij al heel wat gebeurd.
De recente verkiezingsoverwinning van Peter Magyar in Hongarije – die het haalde van Victor Orban – staat ongetwijfeld ook symbool voor ‘Ge moet durven in het leven’. Opkomen tegen Orban was immers absoluut geen evidentie.
‘Ge moet durven in het leven’ klinkt ongetwijfeld als aanmoediging maar toch. Ook aan de Universiteit Gent is ‘Durf Denken’ al jarenlang het credo. Wat is durf echter?

Ook lokale besturen worden ermee geconfronteerd. Laveert het lokaal beleid niet tussen ambitie en voorzichtigheid, tussen visie en vrees, tussen vooruitgang en de schrik om kiezers tegen de haren in te strijken en de volgende verkiezingen te verliezen?
De uitdagingen voor lokale besturen worden alsmaar uitdagender. De oproep tot durf of minstens een bepaalde mate van durf is dan misschien meer dan ooit aan de orde. En toch bestaat de indruk dat lokaal beleid geregeld blijft hangen in een soort bestuurlijke middenmoot. Niet omdat er geen ideeën zijn, maar omdat de reflex om niemand ‘te schofferen’ diepgeworteld zit. Liever stilstand zonder miserie, dan de handschoen opnemen met de nodige problemen?
Moeten we dan met een steen gooien naar lokale mandatarissen? Helemaal niet. Ze opereren immers in een spanningsveld van verwachtingen. Enerzijds is er de burger die snelle, zichtbare oplossingen verlangt. Anderzijds zijn er de structurele beperkingen. Gelimiteerde budgetten, regelgeving van hogere overheden, en een politieke realiteit waarin elke beslissing kan worden afgestraft bij de volgende verkiezingen. In dat kader is voorzichtigheid geen zwakte, maar vaak een vorm van overlevingsstrategie.
En dat wringt bij momenten. Want wie altijd op veilig speelt, geraakt zelden vooruit. Een circulatieplan invoeren bijvoorbeeld vraagt durf. Het betekent keuzes maken die niet voor iedereen comfortabel zijn. Handelaars vrezen omzetverlies, sommige inwoners klagen over meer verkeer, en de oppositie ruikt bloed. Een ‘geruststellende’ gedachte is echter dat er voorbeelden zijn dat het lukt.
‘Ge moet durven in het leven’ betekent zeker niet dat lokale mandatarissen roekeloos moeten handelen. Integendeel. Het gaat om doordachte durf. Beslissingen nemen op basis van visie, zelfs als ze op korte termijn weerstand oproepen.
Het vraagt om een andere vorm van leiderschap: minder gericht op kortetermijnpopulariteit, meer op duurzame effecten. Dat is geen gemakkelijke boodschap in een politieke cultuur die sterk op verkiezingscycli is afgestemd. Maar net daar ligt een belangrijke uitdaging. Hoe creëer je als lokaal bestuur ruimte om verder te kijken dan de volgende stembusgang? Het betekent ook durven zeggen dat niet iedereen tevreden zal zijn, maar dat er wel een keuze moet worden gemaakt.
Durf wordt vaak geassocieerd met grote, opvallende projecten, terwijl ze net zo goed schuilt in kleine, consequente stappen. Durf betekent ook zoeken naar wat kan. Creatief omgaan met beperkte middelen, experimenteren binnen de bestaande kaders, samenwerken met andere gemeenten.
In heel dit ‘verhaal’ mogen we de rol van de lokale ambtenaren niet onderschatten. Politieke durf alleen volstaat niet als ze niet wordt ondersteund door een organisatie die mee wil en kan. Innovatief beleid vraagt vaak om nieuwe competenties, om flexibiliteit, om een cultuur waarin experimenteren wordt aangemoedigd. Dat botst soms met bestaande structuren en gewoontes.
‘Ge moet durven in het leven’ is een uitnodiging om verantwoordelijkheid te nemen, om keuzes te maken in het besef dat niets doen ook een keuze is, weliswaar vaak de minst moedige.
Misschien kan durf beginnen met kleine dingen. Een schepen die een impopulaire maatregel verdedigt omdat ze op lange termijn zinvol is. Een gemeenteraad die tijd maakt voor een echt inhoudelijk debat, in plaats van louter politieke profilering. Een burger die verder kijkt dan zijn eigen straat en het grotere plaatje probeert te zien.
‘Ge moet durven in het leven’ geldt met andere woorden niet alleen voor politici en ambtenaren maar voor elke inwoner.
De vraag is dus niet of we moeten durven, maar hoe. Hoe creëren we een omgeving waarin durf wordt beloond in plaats van afgestraft? Hoe zorgen we ervoor dat visie niet sneuvelt op korte termijn? Hoe maken we van lokaal beleid geen oefening in risicomijding, maar een laboratorium voor toekomstgericht denken?
Durf begint waar zekerheden ophouden. En in een wereld die steeds sneller verandert, is het vermogen om met onzekerheid om te gaan misschien wel de belangrijkste kwaliteit.
Dus ja, we moeten het motto van Denise Waelbers blijvend indachtig zijn. Durf denken en doen.
