MATConnect is een online bibliotheek van Vanden broele

Bewust organiseren: van historisch gegroeide structuur naar doordachte keuzes

We staan zelden stil bij hoe we in het fundament georganiseerd zijn, terwijl net daar veel van onze dagelijkse frustraties ontstaan.

“Ik heb vandaag vijf vergaderingen, drie dossiers en nul tijd om nog echt na te denken.”

Het is een uitspraak die in veel lokale besturen pijnlijk herkenbaar klinkt. Teamverantwoordelijken die van overleg naar overleg hollen. Medewerkers die dossiers doorsturen naar ‘de juiste dienst’. Burgers die hun verhaal meerdere keren moeten herhalen. Iedereen doet zijn best, en toch voelt het vaak alsof samenwerken altijd maar ingewikkelder wordt.

We spreken vandaag veel over flexibiliteit, over het doorbreken van silo’s, over wendbaar en integraal werken. Tegelijk blijven we vaak vasthouden aan dezelfde manier van organiseren. We zijn opgedeeld in diensten, expertises en bevoegdheden. Taken en verantwoordelijkheden zijn netjes verdeeld, en als iets toch niet duidelijk is, dan duwen we het in een nog nauwer hoekje.

Dat is niet vreemd. Onze samenleving is in haar kern functioneel georganiseerd. Van het onderwijs tot de arbeidsmarkt, van beleid tot dienstverlening: we leren van jongs af aan denken in vakken, disciplines en specialisaties. Het functionele organisatiemodel zit diep ingebakken in hoe we werken, kijken en beslissen. Deze organisatievorm heeft historisch gezien sterke papieren. Ze maakt specialisatie mogelijk, bevordert vakinhoudelijke expertise en creëert duidelijke structuren. Medewerkers weten waar ze thuishoren, wie hun leidinggevende is en welke opdrachten tot hun kerntaak behoren. Voor complexe administratieve, juridische en technische taken is dat geen onbelangrijk voordeel.

Tegelijk rijst steeds vaker de vraag: past deze manier van organiseren nog bij de maatschappelijke uitdagingen waar we vandaag voor staan? Bij complexe dossiers, multidisciplinaire noden en verwachtingen van burgers die niet stoppen aan de grens van één dienst?

“We willen meer samenwerken, maar we organiseren ons op eilandjes.”

Verzuchtingen rond werken in silo’s, verdwalen in overlegmomenten, versnipperde verantwoordelijkheden … Het zijn klassieke voorbeelden van de nadelen van een functionele organisatie. Die spanning is voelbaar op de werkvloer. Ze vertaalt zich in een groeiend gevoel van tijdsgebrek, en draagt bijgevolg te vaak bij aan burn-out.

Onder meer het middenmanagement komt onder zware druk te staan. Teamverantwoordelijken en diensthoofden fungeren als scharnierpunten tussen afdelingen, beleid en uitvoering. Ze hollen van overleg naar overleg, proberen belangen te verzoenen, knelpunten op te lossen en informatie door te geven. Hun rol wordt steeds meer die van coördinator en brandjesblusser, met weinig ruimte voor reflectie of inhoudelijke verdieping.

Voor burgers resulteert het niet zelden in gefragmenteerde dienstverlening: doorverwijzingen, wachttijden en het gevoel dat niemand het volledige plaatje overziet. Zo ontstaat een paradox: een structuur die bedoeld is om efficiënt te werken, creëert in de praktijk soms extra complexiteit.

Wie die spanning wil aanpakken, moet daarom verder kijken dan werkdruk of overlegcultuur alleen. Die moet durven kijken naar het organisatieontwerp zelf. Lokale besturen opereren onmiskenbaar in een bureaucratische en gereguleerde context. Die context zal niet zomaar verdwijnen, en dat hoeft ook niet. Binnen die context blijven er belangrijke organisatorische keuzes mogelijk. In dat spanningsveld ontstaan dan ook alternatieven, zoals procesgericht of stroomgewijs werken, waarbij multidisciplinaire teams rond doelgroepen, regio’s of trajecten worden opgebouwd.

 

Is het gras groener aan de overkant van het organisatieontwerp?

Organisaties bestaan in de praktijk zelden in een zuivere vorm. Noch de functionele, noch de procesgerichte organisatie komt ooit volledig theoretisch ideaaltypisch voor. In werkelijkheid gaat het altijd om mengvormen. Geen enkel model heeft de waarheid in pacht: elk brengt eigen sterktes, beperkingen en risico’s mee.

De vraag is dan ook niet welk model ‘het beste’ is, maar welke principes bewust gekozen worden en consequent worden doorgetrokken.

Kies je voor ‘hoge regelcapaciteit binnen de teams’, dan kunnen taken die vandaag bij leidinggevenden liggen door teams zelf worden opgenomen. Kies je voor ‘uniformiteit vanuit één organisatiebreed kader’, dan leg je de regeltaken net wél bij leidinggevenden die onderling coördineren, maar verwacht je inhoudelijke expertise bij je medewerkers. Die keuzes hebben een rechtstreekse impact op takenpakketten, wervingsbeleid, samenwerkingen en verantwoordelijkheden.

Deze keuzes vloeien rechtstreeks voort uit de visie op dienstverlening. Wat willen we betekenen voor burgers? Welke waarden staan centraal: snelheid, nabijheid, rechtszekerheid, maatwerk, toegankelijkheid?

De vraag is niet welk organisatiemodel theoretisch het beste is. De echte vraag is of je vandaag bewust kiest hoe je je organiseert, of dat je vooral verder werkt in een structuur die historisch zo gegroeid is. Want ook niet kiezen heeft gevolgen: extra afstemming, onduidelijk eigenaarschap, druk op leidinggevenden en een burger die versnipperde dienstverlening ervaart.

Organisatieontwerp is geen technisch vraagstuk dat zich beperkt tot organogrammen en structuren. Het gaat over hoe mensen samenwerken, hoeveel autonomie ze ervaren, hoe informatie stroomt en hoe dienstverlening tot stand komt, en het is een vertaling van visie, waarden en maatschappelijke ambities.

Dit vraagt geen grote reorganisatie van vandaag op morgen. Het vraagt wel dat je je huidige manier van organiseren niet langer als vanzelfsprekend behandelt. Kijk kritischer naar waar verantwoordelijkheden versnipperen, waar overleg structurele onduidelijkheid maskeert en waar leidinggevenden taken opnemen die beter in teams zelf kunnen landen.

Organisatieontwerp is een werkwoord. Het is een voortdurend gesprek dat ons helpt om beter te worden in wat we willen betekenen voor burgers, teams en de samenleving.

 

Hoe gaan we hier dan mee aan de slag?

Dit zijn drie praktische tips om te integreren in de dagelijkse werking van jouw organisatie, om bewust te worden van jouw structuur en meer duidelijkheid en richting te krijgen.

1. Maak werk van een gedeelde visie op dienstverlening.

  • Organiseer korte, laagdrempelige dialogen met teams: “Wat willen wij dat burgers van ons ervaren?”
  • Vertaal die visie in 5 à 7 concrete principes (bv. nabijheid, eenvoud, autonomie).
  • Gebruik deze principes als toetssteen bij elke beslissing over structuur of rolverdeling.

2. Verminder coördinatielast door ‘eigenaarschap’ te verduidelijken.

  • Duid per proces, dossier of traject één eindverantwoordelijke aan.
  • Spreek expliciet af wie beslist, wie input geeft en wie uitvoert.
  • Leg beslissingsmandaat zo laag mogelijk in de organisatie, zodat niet alles bij leidinggevenden blijft hangen.
  • Werk met één herkenbare, organisatiebrede aanpak voor projectmatig/dienstoverschrijdend samenwerken.

3. Maak organisatieprincipes expliciet vóór je aan structuren sleutelt.

  • Kies uit principes zoals:
    • hoge autonomie & regelcapaciteit (teams beslissen zoveel mogelijk zelf);
    • uniforme kaders (centrale afspraken, minder lokale variatie);
    • nabijheid tot de burger (structuur rond doelgroepen/regio’s);
    • vakinhoudelijke expertise (structuur rond specialisaties).
  • Breng de gevolgen van elke keuze in kaart voor takenpakketten, rollen en samenwerking.
  • Zodra je je ontwerpprincipes hebt bepaald, kan je kijken naar structuren en organogrammen.
Deel deze update via LinkedIn
Deel deze update via Facebook
Deel deze update via Twitter
Deel deze update via e-mail

Al onze nieuwsberichten in uw mailbox?

Schrijf u in op onze gratis nieuwsbrief en blijf op de hoogte van nieuwe regelgeving, relevante actualiteit, niet te missen opleidingen en studiedagen, ...