MATConnect is een online bibliotheek van Vanden broele

Van gemeente naar kleinstedelijk gebied: 'promotie' of 'vergiftigd geschenk'?

In de plannen van de Vlaamse regering, en in het bijzonder van Vlaams minister Jo Brouns, ‘promoveren’ negen Vlaamse gemeenten tot kleinstedelijk gebied. De ‘gepromoveerden’ zijn Aalter, Zele en Zelzate in Oost-Vlaanderen, Puurs-Sint-Amands en Willebroek in de provincie Antwerpen, Landen, Ternat en Zemst in Vlaams-Brabant en Houthalen-Helchteren in de provincie Limburg. West-Vlaanderen deelt niet in de prijzen. Het ‘opdelen’ van gemeenten en steden bestaat trouwens al een hele tijd. We hebben immers de 13 centrumsteden (onder andere Antwerpen, Gent, Brugge, …) en de kleinstedelijke gebieden zoals Asse, Boom, Lommel, Torhout, Zottegem, …

De minister is van mening dat de 9 gemeenten door hun ligging, bereikbaarheid en voorzieningenniveau bijkomende woon-, economische en voorzieningennoden op een kwalitatieve manier kunnen opvangen. Belangrijk hierbij is dat de minister duidelijk aangeeft ‘wanneer daar lokaal behoefte aan is’. Met andere woorden, de gemeenten blijven zelf finaal aan het stuur zitten, in overleg met de provincie en het Departement Omgeving. Of zoals de minister zelf zegt: “We leggen deze gemeenten geen groeicijfer op en zeggen evenmin dat ze plots groter moeten worden. We erkennen wel dat zij door hun ligging, bereikbaarheid en voorzieningen een sterkere rol voor hun ruimere regio kunnen opnemen. Als er behoefte is aan bijkomende woningen, economische ruimte of regionale voorzieningen, moeten zij die op geschikte locaties kwaliteitsvol kunnen opvangen. De gemeente blijft daarbij zelf aan het stuur.”

De bedoeling klinkt zeker redelijk: waar mensen wonen, werken en voorzieningen gebruiken, moet ruimte zijn om woningen, bedrijvigheid, sport, zorg en andere voorzieningen te organiseren.

De vraag is echter wat deze nieuwe ‘status’ in de praktijk betekent. Want tussen een administratieve aanduiding op een kaart en een echte verandering op het terrein ligt een wereld van verschil.

De minister benadrukt dat de 9 gemeenten niet plots in hun geheel stedelijk worden. Het gaat om specifieke kernen waarvoor later contouren worden bepaald. Bovendien is de nieuwe status geen automatische bouwvergunning. Gemeenten blijven zelf bepalen waar ontwikkeling wenselijk is, in overleg met provincie en Vlaamse overheid.

Volgens Brouns past de beslissing in de bouwshift. Toekomstige woon-, economische en voorzieningenbehoeften moeten zoveel mogelijk worden opgevangen in bestaande kernen en op plaatsen die daarvoor geschikt zijn. Of zoals de minister zegt: “De bouwshift betekent niet dat Vlaanderen op slot gaat. We willen ruimte geven aan ontwikkeling, maar die ontwikkeling beter sturen naar plaatsen waar ze de meeste maatschappelijke meerwaarde en ruimtelijke kwaliteit kan opleveren. Met deze keuze geven we 9 sterke kernen de kans om, op hun eigen maat en onder regie van het lokale bestuur, een grotere rol voor hun regio op te nemen.”

Dat uitgangspunt is verdedigbaar. Vlaanderen heeft er weinig bij te winnen wanneer woningen en voorzieningen lukraak verder over het landschap worden uitgesmeerd. Als groei dan toch nodig is, is het logischer om die te concentreren. Niet elke bovenlokale voorziening moet trouwens noodzakelijk in een grote stad terechtkomen. Een goed bereikbare gemeente die al een regionale aantrekkingskracht heeft, kan een deel van die functies opnemen. Maar daar begint ook het moeilijke debat.

Want wie zegt dat een kern moet groeien, zegt onvermijdelijk ook dat er keuzes moeten worden gemaakt over ruimte. Waar komen de woningen? Waar komt het bedrijventerrein? Welke open ruimte blijft onaangeroerd? Hoeveel verdichting kan een dorpscentrum verdragen? Dat zijn geen details. Ze bepalen of het nieuwe beleid al dan niet een instrument voor betere ruimtelijke ordening wordt.

Eén van de ‘pijnpunten’ in dit hele verhaal is zonder enige twijfel de vraag waarom die negen gemeenten? Beantwoorden zij aan criteria waaraan andere gemeenten niet beantwoorden? Waarom krijgt de ene gemeente een duidelijker perspectief op bovenlokale functies terwijl een andere gemeente met gelijkaardige realiteiten en ambities buiten beeld blijft? Een sluitend antwoord hierop is toch wel belangrijk.

Een ander ‘pijnpunt’ is ongetwijfeld dat de nieuwe status op zich geen extra Vlaamse financiële middelen oplevert. Dat is belangrijk. Een titel verandert immers geen infrastructuur. Een aanduiding op een kaart bouwt geen school, zwembad, ... Als Vlaanderen verwacht dat bepaalde gemeenten meer regionale functies opnemen, moet het ook bereid zijn om samen met die gemeenten te investeren in de infrastructuur die daarvoor nodig is.

De beslissing van Jo Brouns hoeft dus zeker geen slecht nieuws te zijn. Ze kan zelfs een kans vormen om het Vlaamse ruimtelijke beleid opnieuw meer te laten draaien rond sterke kernen, regionale samenwerking en geconcentreerde ontwikkeling. Maar dan moet ‘kleinstedelijk’ meer betekenen dan een label dat extra groeimogelijkheden suggereert.

De echte test zal er pas komen wanneer de eerste concrete plannen op tafel zullen liggen. De kernvraag is uiteindelijk eenvoudig: niet óf deze 9 gemeenten mogen groeien, maar waar, hoeveel en onder welke voorwaarden. Pas wanneer daarop overtuigende antwoorden komen, kan de kleinstedelijke promotie van Jo Brouns uitgroeien tot iets meer dan een bestuurlijke naamswijziging. Dan kan ze een stap worden naar een Vlaanderen waarin ontwikkeling niet langer gelijkstaat aan uitbreiding, maar aan zorgvuldig kiezen waar groei werkelijk meerwaarde oplevert.

De toekomst zal moeten uitwijzen of de overgang van gemeente naar kleinstedelijk gebied een ‘promotie’ of eerder een ‘vergiftigd’ geschenk is.

Herwig Reynaert
Deel deze update via LinkedIn
Deel deze update via Facebook
Deel deze update via Twitter
Deel deze update via e-mail

Al onze nieuwsberichten in uw mailbox?

Schrijf u in op onze gratis nieuwsbrief en blijf op de hoogte van nieuwe regelgeving, relevante actualiteit, niet te missen opleidingen en studiedagen, ...