Het kwam ongetwijfeld als een donderslag bij heldere hemel. De lokale besturen zitten met de handen in het haar na de beslissing van de Vlaamse regering om de groei van het Gemeentefonds af te remmen. Het Gemeentefonds is immers één van de, om niet te zeggen dé, belangrijkste financieringsbron voor de Vlaamse steden en gemeenten. Deze financiële middelen zijn levensnoodzakelijk voor de ondersteuning van de algemene werking van de lokale besturen.
Dat de Vlaamse regering moeilijke keuzes moest maken, staat als een paal boven water. Ze moet er immers voor zorgen dat de begroting op orde is, dat de overheidsuitgaven beheersbaar blijven en dat het Vlaamse financiële plaatje klopt. Dat is trouwens ook iets wat privépersonen, ondernemingen en lokale besturen moeten doen. Pijnlijke keuzes horen finaal bij dergelijke ‘oefeningen’.
Niettemin kwam de beslissing van de Vlaamse regering op een bijzonder ongelukkig moment. Gemeenten en steden hebben immers hun meerjarenplannen en meerjarenbegrotingen voor de komende jaren al opgemaakt. In 2025 hebben de in 2024 verkozen bestuursploegen hun beleidsprogramma’s omgezet in meerjarenplannen voor de periode tot 2031. Dit is een intensief traject en al zeker geen evidente oefening. Politieke keuzes en compromissen moeten worden gemaakt en de financiële middelen moeten over de volgende jaren worden verdeeld. Verwachte inkomsten werden geraamd, uitgaven becijferd, investeringsprojecten geselecteerd, … De meerjarenplannen vormen met andere woorden het financiële en politieke strategische kompas voor de lokale bestuursperiode.
De lokale mandatarissen, bijgestaan door hun administratie, namen al die beslissingen op basis van ramingen. Met andere woorden, geen enkel meerjarenplan is een ‘sluitend’ verhaal of biedt 100% zekerheid. Wat voor lokale besturen wel van groot belang is, is dat men moet kunnen vertrekken en werken op basis van betrouwbare uitgangspunten. Maar als de Vlaamse regering het financiële kader voor de lokale besturen wijzigt, wordt het lastig werken. De gemeenten en steden dachten terecht dat ze hun meerjarenplanning min of meer op orde hadden. Nu moeten ze de oefening (deels) opnieuw doen op een moment dat al een gedeelte van de uitvoering van wat men plande gestart is. Erg vervelend dus.

Lokale mandatarissen uitten dan ook hun ongenoegen. Ze zijn kwaad omdat ze de meerjarenplanning moeten herzien. Het gevolg is inderdaad dat in heel wat gemeenten en steden de (politieke) discussie ongetwijfeld opnieuw zal beginnen. De politici moeten samen met hun ambtenaren opnieuw naar de politieke tekentafel. Welke investeringen worden uitgesteld of definitief geschrapt? Welke projecten worden losgelaten? Welke beloften ten aanzien van de bevolking zal men ongewild moeten inslikken? Moet er bespaard worden op de dienstverlening? Moeten de inkomsten verhoogd worden via hogere belastingen? De burgemeester van Torhout, Kristof Audenaert, ook lid van het dagelijks bestuur van de VVSG, formuleerde het in De Krant van West-Vlaanderen als volgt: “De gemeenten worden met steeds meer taken belast door de hogere overheden terwijl er constant beknibbeld wordt op hun werkingsmiddelen. We moeten steeds meer doen met minder geld. De gemeentelijke financiering staat al jaren onder druk, dat wordt er niet beter op. Deze besparing zal zeker negatieve effecten hebben op lange termijn. Welke investeringen wij zelf zullen moeten uitstellen, kan ik nog niet kwijt. Maar het wordt een zure appel om door te bijten.” In dezelfde Krant van West-Vlaanderen had de burgemeester van Brugge, Dirk de Fauw, het zelfs over ‘contractbreuk’. Bovendien wees hij op terecht op de federale besparingsronde en de mogelijke gevolgen voor lokale besturen: “En dit is nog maar de Vlaamse besparingsronde. De federale overheid moet straks ook nog eens 10 miljard vinden. Ik hoop dat ze de steden en gemeenten met rust laten. We zullen door deze zure appel moeten bijten en kijken hoe we dit lokaal moeten opvangen.”
Wat vooral storend is aan de beslissing van de Vlaamse regering is dat de financiële spelregels tijdens de lokale bestuursperiode worden veranderd. Vanuit een financiële logica valt dit ongetwijfeld te verdedigen en is het misschien zelfs absoluut noodzakelijk. In het kader van een ideale interbestuurlijke verhouding is dit echter niet aangewezen. Het maakt voor de lokale besturen immers langetermijnplanning moeilijker en het ondergraaft ook het vertrouwen in financieringsafspraken. Lokale besturen vragen en verdienen nochtans vertrouwen. Nu voelen ze zich ongetwijfeld in ’t financiële zak gezet.
